Het wie-deel, het wat-deel en het wanneer-deel, maar het redekundig ontleden begint altijd bij…

…inderdaad, het werkwoord. Vanaf groep 4 maken de kinderen kennis met redekundig ontleden. In groep 5 wordt dat ene werkwoord voortaan de persoonsvorm genoemd en het wie-deel het onderwerp. Daarna komen de zinsdelen, het (werkwoordelijk) gezegde, het lijdend en meewerkend voorwerp en de bijwoordelijke bepalingen aanbod. Het vergt veel herhaling om de verschillende zinsdelen foutloos uit een zin te kunnen halen. Elk zinsdeel heeft zo zijn eigen vraag om gevonden te kunnen worden. Toch gaat het niet altijd even gemakkelijk en kan er geoefend worden met deze werkbladen redekundig ontleden.

De werkbladen zijn direct inzetbaar voor extra oefening, huiswerk of als verwerkingsmateriaal bij de reguliere methode. Uiteraard is er ook een antwoordsleutel voor elk werkblad. Laat de leerlingen die het redekundig ontleden nog lastig vinden, gebruik maken van het uitlegblad waarop per zinsdeel nog eens wordt uitgelegd hoe het in de zin gevonden kan worden.

Beginnen bij de basis

De eerste set richt zich op de fundamenten van de zinsbouw. In deze werkbladen ligt de focus op het identificeren van de kern van de zin. Leerlingen oefenen met het benoemen van de persoonsvorm, het gezegde en het onderwerp waarbij ze ook de zinnen verdelen in zinsdelen. Door eerst deze drie basiselementen goed te beheersen, leggen leerlingen een stevig fundament voor de complexere zinsstructuren die later aan bod komen.

Werkbladen redekundig ontleden.

Uitbreiding en verdieping

Zodra de basisstructuur gekend is, kunnen leerlingen overstappen naar de tweede set. Naast de basis uit de eerste set, gaan de leerlingen nu ook op zoek naar het lijdend voorwerp, het meewerkend voorwerp en de bijwoordelijke bepalingen.

Ruimte voor differentiatie

De werkbladen redekundig ontleden bieden ruimte tot differentiatie. Bovenaan elk werkblad vindt de leerkracht het overzicht met de te benoemen zinsdelen. Door vakjes al dan niet aan te vinken, kan de leerkracht per les of per leerling bepalen welke specifieke onderdelen uit de zinnen moeten worden gehaald.

Als een leerling bijvoorbeeld moeite heeft met het lijdend voorwerp, maar het meewerkend voorwerp nog niet hoeft te kennen, vinkt de leerkracht enkel de relevante hokjes aan. Dit maakt het mogelijk om met dezelfde set zinnen op verschillende niveaus te werken en de focus precies daar te leggen waar de leerbehoefte ligt.

Download